Tijdslijn van Giovanni Bosco

16 augustus 1815

Geboren


In Becchi, een klein gehucht van Castelnuovo d’Asti, een dorpje in de Noord-Italiaanse regio Piëmonte, wordt Giovanni geboren. Hij is de jongste zoon van Francesco Bosco en Margherita Occhiena. Het gezin Bosco is arm en leeft van wat het werk op de kleine boerderij hen opbrengt.

Harde tijden!

Groeide op

Wanneer Giovanni 2 jaar was, stierf zijn vader. Hij omschrijft het later als de eerste herinnering uit zijn kindertijd. Mama Margherita blijft achter met drie kinderen: Antonio en Giuseppe en Giovanni. Ook haar schoonmoeder woont in bij het gezin. Ze verhuizen naar een klein en armoedig huisje op een paar honderd meter van de plaats waar Giovanni werd geboren.

"De deur blijft openstaan voor mensen in nood."

Voor Margherita breekt een harde en moeilijke tijd aan: ze moet de eindjes aan elkaar knopen om ervoor te zorgen dat het gezin kan overleven. Hoewel ze het zelf niet breed hebben, blijft de deur openstaan voor mensen in nood. Bedelaars en armen die aankloppen, vertrekken nooit met lege handen. 

Hij moest al snel samen met zijn broers het land op om te werken, zodat het gezin kon overleven. Hoewel Giovanni zijn best deed, droomde hij luidop van een ander bestaan: dat van “priester zijn”. Zijn oudste broer, Antonio, verzette zich fel… zware ruzies waren schering en inslag waarop Giovanni voor een lange tijd buitenshuis ging wonen en werken. 

Werken of studeren?

Tegen de stroom in

Giovanni groeit op als een slimme en vrolijke kerel. Al heel vroeg droomt hij ervan priester te worden, maar door de financiële toestand van het gezin is dat niet vanzelfsprekend. Met zijn broer Antonio klikt het ook niet altijd. Die ziet het namelijk niet zitten dat Giovanni wil studeren: hij vindt dat er vooral hard gewerkt moet worden op het veld. Voor studeren is er geen tijd en geen geld. Gelukkig staat het woord opgeven niet in Giovanni’s woordenboek. Vanuit verschillende hoeken krijgt hij hulp, waardoor hij erin slaagt om toch naar school te gaan en les te volgen. 

"Werken én studeren!"

Ook al is hij verstandig, toch kan hij – door de omstandigheden – pas op zijn vijftiende de lagere school afmaken­ en naar de naburige stad Chieri vertrekken om er aan het secundair onderwijs te beginnen. In die tijd is er natuurlijk nog geen openbaar vervoer en elke dag pendelen tussen Becchi en Chieri is dus onmogelijk. Daarom logeert Giovanni in Chieri. Om zijn verblijf en zijn studies te betalen, gaat hij werken. De ervaring die hij bij die verschillende ‘studentenjobs’ opdoet, zal hem later nog goed van pas komen! Op datzelfde moment heerste er in Italië enerzijds een streng liberaal beleid, die elk kerkelijk initiatief trachtte te ontmoedigen. Anderzijds was ‘priesterschap’ eerder weggelegd voor de rijkere jongens met een roeping. Priesters werden vaak privé-leerkracht bij de rijke bourgeoisie, ze verdienden er een hoop geld en velen bekommerden zich nauwelijks over het gewone volk, de talloze mensen die in armoede leefden. 

Toch bestaat Giovanni’s leven niet alleen uit studeren en werken. Hij heeft een vriendengroep die zichzelf de ‘club van de vrolijkheid’ noemt. Giovanni treedt naar voren als de animerende leider van de groep en wordt zo een toegewijde en trouwe vriend.­

Regelrecht kiezen voor jongeren

Priesterschap

Aan het einde van de secundaire school komt het moment waarop hij keuzes moet maken. Het verlangen om priester te worden, is er nog altijd, maar Giovanni twijfelt of hij dat moet doen binnen een religieuze orde, de franciscanen, of als priester van het bisdom. Hij ontmoette in de loop der jaren enkele mensen, waaronder Don Cafasso (1830), die hem zowel financieel als geestelijk steunden om zijn droom waar te maken.

Giovanni is 20 jaar wanneer hij op het seminarie­ van Chieri de priesteropleiding begint. Het leven is er streng, maar gelukkig­ kan hij rekenen op de steun van een paar goede vrienden. Wel stoort hij zich aan de grote afstand die bestaat tussen de professoren­ en de oversten enerzijds en de studenten anderzijds. Hij wil graag een heel andere priester zijn, die te midden van de mensen staat.

"Een Droom die uitkomt!"

Zes jaar later, in 1841, wordt Giovanni in Turijn priester gewijd. Hij is Don Bosco geworden. Ook al is Don Bosco nu priester, toch is het nog niet gedaan met studeren. In de stad waar hij gewijd werd, studeert hij nog een paar jaar verder aan het Convict. Theorie en praktijk worden er samengebracht en Don Bosco leert hier misschien wel meer dan hij de voorbije jaren op het seminarie heeft geleerd. Anders dan in zijn studietijd in Chieri is de omgang met de oversten en de professoren ook veel hartelijker. Ze staan niet veraf van de studenten en leven met hen mee. 

De start

Het Oratorio

In deze periode komt Don Bosco ook voor het eerst in contact met de jongeren in de jeugdgevangenis van Turijn. Hij is diep geraakt door wat hij er te zien krijgt. Veel jongeren zitten er namelijk opgesloten als zware misdadigers, aan hun lot overgelaten. Hij beseft maar al te goed dat ze, eens ze de gevangenis zullen verlaten, er snel terug zullen zitten. Er is niemand die hen opvangt, die hen helpt om een beroep te leren of die voor hun rechten opkomt. Hij begrijpt dat ze nood hebben aan een degelijke opvoeding. Daar ligt zijn werkterrein voor de toekomst! 

"Hij begint een oratorio, een plaats waar jongeren thuis mogen komen, waar ze catechese krijgen en samen bidden en vieren, waar ze een beroep kunnen leren en waar ze naar hartenlust kunnen spelen en ravotten."

Don Bosco vertelt later zelf over een ontmoeting die hij omschrijft als de start van zijn oratorio: in de kerk van Franciscus van Assisi in Turijn staat hij klaar om de mis te vieren, maar er is geen misdienaar. De koster van de kerk roept een kleine jongen en verplicht hem om de mis te dienen, maar de jongen zegt dat hij dat niet kan. De koster wordt kwaad en wil hem buitengooien, maar Don Bosco grijpt in. Hij noemt de jongen ‘een vriend van mij’, ook al heeft hij hem nog nooit ontmoet. Zijn naam, zo vertelt Don Bosco, is Bartolomeo Garelli. Don Bosco leert hem een eenvoudig Weesgegroet bidden en nodigt hem uit om de volgende week terug naar de kerk te komen. Hij mag gerust wat vrienden meebrengen, en zo gebeurt het. 

Het oratorio groeit sneller dan verwacht en Don Bosco moet een paar keer op zoek naar een nieuwe plek, tot hij op Pasen 1846 in Valdocco terechtkomt, een buitenwijk­ van Turijn. Daar groeit het oratorio­ en wordt het een plek waar honderden jongeren zich dag en nacht bij Don Bosco thuis mogen voelen. 

Hij biedt onderdak aan de jongens die nergens naartoe kunnen. Hij opent een paar werkplaatsen waar ze een beroep leren. Hij bouwt een paar kerken waar ze samen kunnen bidden en vieren. Hij opent een school waar ze kunnen studeren.

Da mihi animas, caetera tolle

Vanuit een groot geloof

Da mihi animas, caetera tolle” is de spreuk die Don Bosco’s werk begeleidt. Letterlijk vertaald staat er “geef mij de zielen en houd de rest”. Het geluk van de jongeren, op aarde en in de hemel, staat voor Don Bosco centraal, daarvoor wil hij zijn leven geven. Om dat levensdoel te bereiken, vindt hij het belangrijk om zoveel mogelijk bij de jongeren aanwezig te zijn en op een hartelijke manier met hen om te gaan. Hij staat niet boven hen maar tussen hen, en hij spreekt hen ook aan op hun eigen verantwoordelijkheden.

 "Vanuit zijn groot geloof in een liefdevolle en nabije God staat Don Bosco tussen zijn jongeren­ en geeft hij zijn leven voor hen."

Hij staat er niet alleen!

Zijn medewerkers

Al snel merkt Don Bosco dat hij al die jongeren niet alleen aankan. Hij geeft de oudste jongeren al snel een grote verantwoordelijkheid en hij verzamelt medewerkers om zich heen die hem helpen met het vele werk. Hij denkt eraan om een eigen religieuze congregatie te stichten, die na hem zijn werk kan verderzetten. Ze krijgen de naam salesianen, naar de heilige Franciscus van Sales, bij wie Don Bosco veel inspiratie vindt. Het zijn mannen die hetzelfde ideaal van Don Bosco nastreven en zich vanuit hun verbondenheid met God inzetten voor jongeren.

Hoewel het werk van de salesianen in die tijd enkel bedoeld is voor jongens wil Don Bosco ook voor de meisjes iets doen. Zij krijgen namelijk met dezelfde realiteit te maken. Hij sticht daarom, samen met Maria Domenica Mazzarello, de congregatie­ van de Dochters van Maria Hulp der Christenen, vandaag bij ons ook bekend als de zusters van Don Bosco.

"Zonder jullie ben ik niets!"

Naast de twee congregaties richt Don Bosco nog een groep medewerkers­ op. Zij maken mee zijn droom waar vanuit hun eigen realiteit en context.

Het oratorio in Valdocco blijft groeien, net als het aantal salesianen, zusters en medewerkers. De faam van Don Bosco verspreidt zich al snel in Turijn, maar ook ver daarbuiten. Vanuit heel Europa komen er vragen om salesianen en zusters te sturen om zich het lot van de jongeren aan te trekken. Don Bosco stuurt zelf een groep salesianen naar Zuid-Amerika en geeft daarmee de start van een wereldwijde verbreiding van de beweging waar hij de inspirator van is.

Naarmate de jaren vorderen, wordt Don  Bosco ook ouder. Het vele werk en de vele zorgen eisen hun tol en Don  Bosco krijgt te maken met ernstige gezondheidsproblemen. Hij vertrouwt de zorg voor zijn salesianen en voor de jongeren toe aan zijn naaste medewerkers maar hij blijft tot op het einde betrokken. 

Op 31 januari 1888 sterft Don Bosco. Hij is dan 72 jaar. De beweging die hij heeft gestart, staat stevig in haar schoenen en ze zet Don Bosco’s droom verder … tot op vandaag!

Don Bosco

leeft voort

Amper twee maanden voor Don Bosco zou sterven, krijgt hij het bezoek van Mgr. Doutreloux, de toenmalige bisschop van Luik. Die komt opnieuw vragen om salesianen naar Luik te sturen. Ook bij ons is de nood namelijk groot om met en voor jongeren aan de slag te gaan. Don  Bosco heeft de vraag van de bisschop al een paar keer moeten afwijzen, maar nu geeft hij een positief antwoord. Het is een van de laatste grote beslissingen die Don  Bosco neemt. 

In 1891 zullen de eerste salesianen, en later ook de zusters, naar België komen. 

Vijf jaar later opent het eerste huis in Vlaanderen, in het Limburgse Hechtel. Het is de start van Don Bosco’s droom bij ons. De zending wordt aanvankelijk gedragen door de salesianen en zusters van Don  Bosco, maar meer en meer worden er geëngageerde leken ingeschakeld. 


SALESIANEN VAN DON BOSCO

  • Sinds 1896 in Vlaanderen, 1928 in Nederland
  • Wereldwijd actief in 132 landen
  • 15K salesianen wereldwijd, waarvan 140 in Vlaanderen en Nederland
  • 800K kinderen en jongeren actief in salesiaans jeugdwerk
  • 1,2M kinderen en jongeren ingeschreven op salesiaanse scholen en universiteiten

ZUSTERS VAN DON BOSCO

  • Sinds 1903 in Vlaanderen
  • Wereldwijd actief in 94 landen
  • 12,5K zusters in de wereld waarvan 70 in Vlaanderen en Nederland
  • 700K kinderen en jongeren in jeugdwerk van de zusters van Don Bosco

Hoe is het — in Gods naam — mogelijk?

EEN VERHAAL DAT DE MOEITE IS!

Trailer van documentaire over Don Bosco en zijn salesianen van Vlaanderen en Nederland. Bekijk hier alle beelden. 

Schrijf u hier in voor Don Bosco digitaal (nieuwsbrief)

* indicates required